28

Jimi Hendrix mag Woodstock hebben platgespeeld, Brian Jones mag een zwembad hebben gehad, James Dean een Porsche en Jim Morisson heel veel deuren in zijn huis, maar ze hebben geen van allen bereikt wat ik vandaag gepresteerd heb.

Op de minuut af, ben ik 28 jaar geleden geboren.

Driewerf hieperdepiep voor mij!

(Weer) zwanger!

Ik vond het een spannend moment. Eleanor had zich verschanst op het toilet en ik zat op de trap te wachten. Vakkundig, want vrouwen kunnen minder goed mikken dan mannen, plaste Eleanor de zwangerschapstest onder. Twijfelend bleef ik tussen trap en toilet staan wachten op uitslag.

Eleanor, na drie minuten: Bjorn, is dit tweede blauwe streepje echt een blauw streepje? Ik pakte het plastic staafje en keek ernaar alsof ik er verstand van had. Het lijkt er wel op. Mijn hart stuiterde door mijn borstkas. Waterig keken we elkaar aan en luid lachend vliegen we elkaar om de nek. We worden voor de tweede keer pappa en mamma! Marit wordt een grote zus! Om het te vieren plunderde ik de provisiekast op zoek naar iets lekkers. Marit’s babykoekjes zijn ook lekker bij de thee. Smakkend en knuffelend proberen we het goede nieuws te beseffen.

Mijn gedachten schoten de hele avond van hot naar her. Je wilt het van de daken schreeuwen, maar bij vier weken is het daar nog een beetje te vroeg voor (Hoe dat wordt berekend, trouwens, zal ik nooi leren. Dagen tellen in de menstruatiecyclus is hogere vrouwenalgabra voor mij.) Hoe gaan we de babykamer doen? Moeten we de zolder verbouwen? Wat zijn leuke namen? Als het een meisje is kunnen we al Marit’s kleertjes weer gebruiken! Pas tegen middernacht kwamen mijn hersencellen weer tot rust.

Inmiddels zitten we in week veertien. Eleanor heeft net als de vorige keer extreem veel last van de hormonen. Zo nu en dan overgeven vindt ze niet zo erg, als de hoofdpijnen en duizigeheid maar wegbleven. Zonde, vind ik, want zwangerschap is echt iets heel moois. Toen Marit nog in de dikke buik zat, kon ik mijn ogen niet van haar afhouden. Een zwangere Eleanor is nog veel sexier en mooier dan gewoon.

Met Marit (op de fiets)

Met de ouderwetse fietspomp van mijn opa had ik de achterband van Eleanor’s fiets bijgevuld. En op het stuur pronkte nu Marit’s fonkelnieuwe Nijntje-fietsbel. De zon scheen, dus alle reden om met z’n tweeรซn op stap te gaan. Voorzichtig liep ik de fiets het stoepje af en stapte op richting Hoogkerk.

We zigzagden langs geparkeerde auto’s en tegemoetkomend verkeer richting de brug. Marit keek als een prinses om zich heen en besloot zich koninklijk te gaan gedragen. Ze keek naar links, naar rechts en weer naar links en begon naar haar volk te zwaaien. Dag, da-dag. Als eerste kreeg ze een echt Hoogkerks gezin, vader was gekleed in een rode trainingsbroek, witte sweater en gouden ketting, in het vizier. Maar zij merkten hun nieuwe vorstin niet op. Verderop liep een tienermeisje, dat zo te zien haar kleren in Snollywood kocht, dat te druk was met haar mobieltje. Twee mevrouwen later had Marit beet. Een vriendelijke dame groette terug. Ze glimlachte al haar zeven tandjes bloot.

Bij de brug zette de kroegbaas een paar stoelen buiten. We staken het Hoendiep over. In de bespiegelde pui van de Albert Heijn zag ik ons fietsen. Zo’n moment duurt bij mij altijd te kort; vaderlijke trots laat zich niet uitleggen in een bijzin. Over het spoor fietsten we door tot aan de snelweg. Daar sloegen we linksaf naar het Stadpark. Marit frutselde wat aan haar Nijntje-bel. Plagend klingelde ik alvast met de echte fietsbel. Nog voor we het park uit waren, had hare majesteit de eerste voetgangers al de stuipen op het lijf gejaagd. Tot groot plezier van ons allebei.

Via de Paterswoldseweg, kwamen we op het afgesloten Hoendiep en de Frieschestraatweg uit en pedaalden we Vinkhuizen in. Luidt fietsbellend reden we bij oma voor de deur langs. Voor de laatste etappe moest ik nog even aanzetten. Tegenwind en dertien koninklijke kilo’s worden na drie kwartier ook voor de stoerste pappa’s zwaar. In het niemandsland tussen Groningen en Hoogkerk voelde Marit met haar handje aan de wind. Ik legde mijn middel- en wijsvinger in haar handpalm. Hand in hand kwamen we over de finish.

De reservekeeper

Het is ongewoon druk op de parkeerplaats voor dit uur van de dag. Een vader loopt met zijn zoon voorbij. Het jongetje draagt een groen-witte sjaal en met dito pet. Terwijl hij loopt kijkt hij elf verdiepingen omhoog naar het kantoor waar ik net uit kom. Ik had niet meer gedacht aan de wedstrijd van FC Groningen van vanavond. Ik loop naar de grindbak waarin mijn auto staat geparkeerd. Een verkeersregelaar staart mij na. Door de toestroom van auto’s duurt het even voordat ik het parkeerterein af kan. Het jongetje is bijna bij het stadion. In de verte zie ik zijn ogen; opgewonden en groot van verbazing. Ik mag rijden.

Het jongetje dagdroomt van een grote toekomst in het eerste elftal van FC Groningen. Tevreden glimlach ik. Toen ik acht was leek mij dat ook wel wat. Ik werd lid van de plaatslijke voetbalclub. Op woensdag trainden we altijd op een zandvlakte en op zaterdag speelden we in de breedte van een half veld. Ik voetbalde al een paar jaar toen een reservekeeper van FC Groningen een clinic kwam geven. Opgewonden stemmen in de kleedkamer. Een echte prof-voetballer stond op ons te wachten in de kattebak.

Het einde van de training was het hoogtepunt: penaltyschieten. Mijn hele team stond te popelen achter de strafschopstip. Ik wachte rustig op mijn beurt. Ploeggenoot na ploeggenoot miste jammerlijk. De keeper deed zijn best om zijn eer hoog te houden. Al was hij reservekeeper. Als verdediger heb ik twee wedstrijddoelpunten op mijn naam staan. Slim moest ik zijn. Ik had een analyse gemaakt van de tien gemiste strafschoppen voor mij. Te zacht. Over. Binnen grijpbereik. Op de paal en zelfs eentje op de bovenkant van de lat.

Simpel. De bal moest dus hard gaan, onder de lat, langs de goede kant van de paal en buiten bereik van de keeper. Strafschoppen zijn niet moeilijk. De trainer schopte een bal mijn kant op. Een Tango. Een vreselijke bal. Te groot. Te hard. Een onding. Ik nam de bal aan, maar het voelde anders. In deze zat minder lucht en hij voelde beter aan mijn voet. Het midden van de streep die de trainer met zijn hak had gezet was platgeschoten. Een ideale startbaan voor mijn voetbalcarriรจre. Alles trok zich aan mij voorbij in slow-motion. Vier stappen achteruit. Drie rennend vooruit. Standbeen naast de bal. Lichaam schuin naar achteren. Wreef tegen het ventiel. En weg was-ie. De bal ging precies door het gat van vijfennegentig centimeter dat restte tussen vingertoppen en kruising. Ritselend tegen het net viel de bal dood op de grond. De reservekeeper kreunde verslagen. Ik juichte op de manier zoals ik dat altijd al had willen doen. Kalm en met rechterarm en wijsvingertje omhoog maakte ik een sukkeldrafje rond mijn team. De reservekeeper, de trainer en mijn ploeggenoten waren met stomheid geslagen. Achter het vangnet, naast het doel, hoorde ik een applausje. Ik zag mijn vader trots grijnzen.

Mijn voetballoopbaan is aan het eind van D1 gestopt. Ik vond het niet meer leuk. Jarenlang heb ik bij de FC op de tribune gezeten. Ik heb alles meegemaakt; van het superseizoen 1990-1991, degradatie, promotie en het debuut van Arjen Robben. Sinds kort werk ik pal bij het nieuwe stadion. Op de elfde kun je de bovenste rij stoelen net niet zien. Maar dat is dichterbij het eerste elftal dan ik ooit had kunnen dromen.